vrijdag 13 januari 2017

Studie-object


Zoonlief moet een interview doen met iemand die in het buitenland woont. Hij woont in Nederland, en zo dreig ik even een in het buitenland wonend studie-object voor mijn nazaat te worden. Zijn leraar brengt uitkomst: niet alleen moet het object in het buitenland wonen, maar het moet ook autentiek buitenlands zijn. Ik val dus af, want dialekten tellen niet.
Kev ziet zijn kans schoon en strikt mijn lief als studie-object. Hij stuurt de vragen wel op.

Al twee avonden zitten mijn lief en ik elkaar nog net niet in het haar. Vragen over Italië, het werk, het geloof, de mannenmaatschappij, geluk, welzijn, politiek, Europa. Hij heeft zich goed voorbereid, maar ik zit met de 'pere fritte', oftewel de gebakken peren. Ik vertaal in en vanuit het Engels, het Italiaans, het Nederlands. Niet altijd gaat me dat even goed af, wie me een beetje kent weet dat. En verder blijkt dat we het lang niet altijd eens zijn, waar we dachten dat wel te zijn. Of laat ik het anders zeggen, we zijn het wel eens maar we verwoorden het anders. En dat komt omdat ons uitgangspunt verschilt. Italië loopt namelijk achter [één goeie raad: zeg dat nooit tegen een Italiaan of een Italiaanse], één generatie ongeveer. Best interessant.
Italië heeft in mijn lief's leven enorme stappen voorwaarts gemaakt, maar aan het eind van het liedje staat ze (blij, maar daar gaat het niet om) nog maar aan het begin van de homohuwelijken (de eerste zijn hier een aantal maanden geleden voltrokken). Mannetje-mannetje-paren en vrouwtje-vrouwtje-paren kunnen hier geen kinderen adopteren, euthanasie is nog steeds illegaal, vrouwen hebben heel veel minder kans op een carrière. Zij kijkt naar het eerste deel van de stelling en ziet tevreden een halfvol glas op tafel staan. Ik kom vanuit een andere werkelijkheid, kijk naar het tweede deel van het verhaal en zie een halfleeg glas.

UIteindelijk komen we er natuurlijk wel uit: zij leegt haar halfvolle glas in mijn halflege. Tevreden nippen we van ons volle glas, om en om. Als het leeg is schenk ik nog eens bij.
We proosten op Italië, op Nederland, op Europa.


zaterdag 7 januari 2017

Driesprong


Links of rechts? Nergens een bordje, nergens een aanwijzing. Enkel bomen, en een smal karrespoor dat zich daar doorheen slingert. Ik begin het akelige gevoel te krijgen dat ik compleet verdwaald ben. De driesprong waarvoor ik sta komt me bekend voor. Erger, ik weet zeker dat ik hier een dik uur geleden ook al heb gestaan. Onmogelijk, want nadat ik beslist had rechtsaf te slaan, is geen enkel pad mijn weg nog gekruist. De afdrukken van mijn schoenen zouden mijn vermoedens kunnen bevestigen, ware het niet dat het inmiddels begonnen is met sneeuwen. Ik adem in witte wolkjes die zich even aftekenen tegen het donkere woud om vervolgens op te lossen in de grijze sneeuwlucht. De kou begint voelbaar te worden, maar tegelijkertijd voel ik een paniekerige warmte. Angstzweet, heet dat. Ik sla het linkse pad in, zonder echt overtuigd te zijn. 

Het ellendige is dat ik mezelf helemaal alleen in deze situatie gelaveerd heb. Vanmorgen vroeg heb ik na een stevig ontbijt de deur van het hotelletje achter me dicht getrokken en ben het bos ingetrokken. De sleutel heb ik bij de receptie afgegeven. ,,Er zit sneeuw in de lucht'', liet de receptioniste me weten. De glimlach waarmee ze haar waarschuwing begeleidde had het effect dat het wel mee zou vallen, en nog voordat ik de oprijlaan achter me had gelaten waren haar woorden al neergedwarreld als loze last. De witte tanden, rode lippen en blonde lokken nam ik graag met me mee.
Geen moment heb ik me zorgen gemaakt. Veel langer als een paar uur zou mijn wandeling immers niet duren. En verdwalen? Het zou de eerste keer zijn. Mijn stelling dat je altijd weer in de bewoonde wereld terecht komt, als je maar lang genoeg door blijft lopen, heeft me nooit in de steek gelaten. Daar houd ik me ook nu aan vast, maar met het verstrijken van de uren merk ik dat ook een rotsvast vertrouwen af kan brokkelen en uiteindelijk toch ook maar een gedachte is.

Het pad loopt iets omhoog nu voordat een flauwe, lange bocht naar links me verder het bos inleidt. Het is geen zware klim, maar ik voel de vermoeidheid in mijn benen. Bergschoenen en wollen sokken houden voorlopig voeten en onderbenen warm, maar mijn dijen voelen stijf aan. M'n kont doet pijn, m'n billen.
Mijn maag knort, maar ik laat de Snickers, die ik vanmorgen meegenomen heb, in mijn jaszak zitten. Ik voel me weeïg, ben bang dat ik over moet geven als ik nu die zoete klomp chocalade met noga en karamel en pinda's naar binnen werk. De gedachte alleen al doet me het zuur in mijn mond komen. Ik zweet. Ik heb het koud.

Vijf minuten later loopt het pad dood. Een gedeeltelijk met mos bedekte grijsgranieten rotswand reikt bijna loodrecht de sneeuwhemel in, verder dan het oog. Ik heb mijn plan B eigenlijk al klaar voordat ik me ervan verzekerd heb dat de rots een onneembare hindernis is. Ik zal terugkeren naar de driesprong en daar rechtsaf slaan, precies de weg bewandelen die ik gekomen ben dus. De volgende driesprong linksaf en dan zal ik al een heel eind in de goeie richting zijn. Maar ik moet de pas erin zetten nu, want de namiddag begint zich gelijdelijk op te maken voor de avond. Het zal geen uren meer duren voordat het donker is.

Als ik het pad terugloop en de lange bocht naar rechts de afdaling aankondigt ben ik zo opgelucht dat ik me in moet houden om niet te gaan hollen. Het mag dan wel bergaf zijn, wellicht is het toch beter om mijn krachten te sparen. De terugweg naar het hotel is immers lang.
Onderaan de heuvel verwacht ik meteen naar rechts te kunnen, maar ik moet me in de afstand vergist hebben. Maar ook de volgende tien minuten dient zich niets aan dat op een driesprong lijkt.
Een, met een steeds dikkere laag sneeuw bedekt karrespoor dat zich tussen een schier ondoordringbaar donker woud van eeuwenoude bomen heenslingert. Dat is alles. Ik stop, kijk vertwijfeld om me heen, luister naar een teken van leven. De enige tekenen van leven in deze immensiteit zijn mijn eigen gejaagde ademhaling, het ruisend in mijn oren versterkte bonzen van mijn hart en het bij tijd en wijle terugkerende klagelijk knorren van mijn maag. Voor de rest het lispelen van de vallende sneeuwvlokken dat sterft in de typische vredige stilte van een maagdelijk wit winterlandschap. Stilte.

Ik weersta de aandrang om terug te gaan, me ervan te verzekeren dat ik de driesprong niet gemist heb. Want ik weet dat ik de driesprong niet heb gemist. Ik weet dat, als ik op mijn passen terugkeer, ik wederom die wand van rotsen vind die mijn pad blokkeert. Ik loop dus door, sneller, want ik wil het invallen van het donker zo ver mogelijk voor me uit verschuiven. Blik op oneindig, verstand op nul, wat een bijna onmogelijke opgave is. Sneeuw begint zich te hechten aan baard, snor, wenkbrouwen, wimpers. Het zicht wordt minder. Mijn voeten doen pijn, mijn benen zijn zwaar, het gaat onverbiddellijk langzamer.
Na een uur kom ik dan toch bij een driesprong aan. Of beter, ik kom bij de driesprong aan waarnaar ik op zoek was. Maar de richting klopt niet, want waar ik de keuze zou moeten hebben tussen de weg rechtsaf en een andere rechtdoor wordt ik wederom geconfronteerd met de eerste situatie. Naar links dus, of naar rechts. Ik realiseer me dat ik geen mogelijkheden meer overheb: als ik naar links ga wordt mijn weg geblokkeerd door een rots, en rechts gidst me een uur lang door een bos om vervolgens weer hier terecht te komen.
Wat overblijft is me nù om te draaien en direct op mijn schreden terug te keren. Maar kom ik hier ooit nog uit? Geen idee, maar ik heb geen alternatieven.

Ik draai me om en ga op weg. Na een paar stappen knispert er iets onder een van mijn schoenen. Ik buk me en woel met mijn bijna gevoelloze vingers in de sneeuw. Een stuk papier lijkt het, nee. Een lege verpakking. In het halfdonker ontcijfer ik de mij bekende blauwe letters: Snickers.
Verbaasd verdwijnt mijn andere hand zoekend in mijn jaszak.

[]

Ik schreef "Driesprong" naar aanleiding van het boek "De goede herder" van Gunnar Gunnarsson.
Hieronder mijn recensie...

Gunnar Gunnarsson (1889-1975) was geen schrijver van deze tijden. Zijn vertelling "De goede herder" is geen verhaal van deze tijden.

Om met het levensverhaal van Gunnarsson te beginnen. Hij werd geboren in het arme noordoosten van IJsland, waar zowel financieel als materieel een gedegen scholing voor weinigen weggelegd was. Eenzelfde lot zou Gunnar Gunnarsson beschoren zijn geweest, ware het niet dat zijn schrijverstalent tijdig herkend werd en hij op 18-jarige leeftijd de kans kreeg om in Denemarken te gaan studeren. Gunnarsson greep die kans met beide handen aan,  maakte zich het Deens dermate eigen dat hij zijn romans in die taal schreef.
In de wereld van vandaag zou een besluit als dit synoniem zijn aan een literaire zelfmoord in eigen land. Het zou ongetwijfeld gezien worden als hoogmoed, landverraad, alles behalve een reden tot euforie. In het IJsland van de jaren dertig dacht men anders (wellicht nog steeds?) en de vertalingen in het IJslands van Gunnarsson's Deense romans werden stuk voor stuk bestsellers, en de autheur werd een symbool voor zijn land.

Boerenknecht Benedikt, 54 inmiddels, begint op adventszondag aan zijn jaarlijkse tocht de bergen in. Voor de 27ste keer (een half leven lang) onderneemt hij zijn zoektocht naar verdwaalde schapen. Niet omdat het zijn dieren zijn, maar enkel om het feit dat het levende schepsels zijn die, zo is Benedikts overtuiging, recht hebben om gered te worden van een zekere honger- of bevriezingsdood die de besneeuwde IJslandse bergen in pacht zouden hebben.
Het laatste boek dat Gunnar Gunnarsson in het Deens schreef was in 1936 "Advent". In het Nederlands heeft het de titel "De goede herder" meegekregen. Zoals al zijn boeken handelt het over het plattelandsleven in zijn vaderland IJsland, een onderwerp dat het bijzonder goed deed in Denemarken.
Benedikt is normaal gezien de enige levende ziel die zich in deze periode het barre landscahp in waagt. Hij wordt slechts bijgestaan door zijn hond Leo en de ram Knoest. Dit jaar loopt het allemaal anders omdat het drietal kostbare tijd verspeelt. Een boer heeft zijn schapen te laat op stal gebracht, waarna Benedikt nogmaals zijn goedheid laat gelden en hulp biedt bij het zoeken naar een stel veulens. Als hij eindelijk aan zijn eigen taak kan beginnen slaat het weer om en terugkeren naar de bewoonde wereld wordt steeds moeilijker.
Wat aantal bladzijdes betreft is "De goede herder" een niemendalletje, maar wat boodschap betreft is het verhaal natuurlijk enorm. Zonder de bijzondere stijl van Gunnar Gunnarsson zou het echter nooit verworden zijn tot Het Kerstverhaal uit de IJslandse literatuur, wat het tot de dag van vandaag is. Gunnarsson schrijft sober, en sluit daardoor naadloos aan op de hoofpersoon en zijn wereld. Benedikt is (nu) een man zonder wensen, omdat hij weet dat hij alles heeft wat hij kan wensen. Zijn beste vrienden heeft hij bij zich, Leo en Knoest, betrouwbaar, trouw. Gunnarsson schrijft essentieel, en sluit daardoor al even naadloos aan bij het landschap en de elementen. Weinige, juiste woorden zorgen ervoor dat een sneeuwstorm even heftig opsteekt als in de werkelijkheid. De kou, de wanhoop als een schuilplaats niet wordt gevonden, zijn bijna reëel.


"De goede herder" is een ideale metgezel in de decembermaand. In IJsland schijnt hij bij kerst te horen zoals de kerstman. Ik denk dat ook ik er in de toekomst heel graag nog eens naar terug zal grijpen.

- Ik las "De goede herder" in het Italiaans.
De titel is "Il pastore d'Islanda", en de ram luistert in deze versie niet naar de naam Knoest, maar heet Roccia, wat rots betekent. - 

vrijdag 6 januari 2017

Op tijd thuis voor het eten


Fotoreporter Paolo Pellegrin maakte in november van het afgelopen jaar samen met James Verini de indrukwekkende reportage "They all have to die now" voor de New York Times Magazine. Op weg naar Mosul, een van de felste brandhaarden in een van de wreedste wereldconfilcten op het moment.

Pellegrin maakt onder meer de onderstaande foto. Een jongen wordt opgepakt door Irakeense soldaten omdat hij ervan verdacht wordt een verklikker voor de ISIS te zijn.




Onvoorstelbaar. Hoe oud zou het gastje zijn? Tien jaar, elf, twaalf misschien. Wat voor een wereld is dit als je op zo'n leeftijd een dergelijke keuze moet maken om in leven te blijven? Of om te voorkomen dat je zusje of je moeder lastig gevallen wordt. Of... 
Het doet er ook niet toe. Als je tien bent moet je met autootjes spelen, godverdomme, en je enige zorg moet zijn of je wel op tijd voor het eten thuis bent. GODVERDOMME.

[]



Paolo Pellegrin werd op 11 maart 1964 in Rome geboren. Hij studeerde architectuur aan de universiteit La Sapienza, maar stopte na drie jaar om fotografie te gaan studeren.
Pellegrin is lid van de Magnum Agency. Hij won tot nu toe tien World Press Photo Awards.

maandag 2 januari 2017

Oliecrisis


Ik herinner me de oliecrisis nog. 1973... Nee, dat is niet helemaal waar.
Ik herinner me de autoloze zondagen van die oliecrisis. Lege wegen. De Kinderdijk leeg tot aan de bocht van Drieschouwen. Normaal stonden de bermen vol op zondag als Axel thuis speelde.
Slechts een enkeling mocht wel rijden. De dokter natuurlijk, zonder dat hij er misbruik van maakte. Alleen voor echte noodgevallen ging hij op weg. En dan diegenen die moeilijk ter been zijnde bejaarden naar de kerk begeleidden. Ja, daar kregen ze vrijstelling voor. Moeilijk ter been zijnde was een rekbaar begrip, en dus werd er misbruik van gemaakt. Door een aantal kerkgangers die ook op de autoloze rustdag des Heeren hun Heilige IJzeren Ros niet wilden laten staan.
In Axel woonde 'het gemeentepaard'. Geen idee wie de bijnaam van de goeie man verzonnen had, maar het was een eretitel die niet uit sympathie geboren was. Dat moge duidelijk zijn. Het gemeentepaard ging naar de kerk, elke zondag, met de auto, ook tijdens de oliecrisis. Zijn moeder was moeilijk ter been, althans op zondag, tijdens de oliecrisis.


Ik schreef het bovenstaande na "En ik herinner me Titus Broederland" van Auke Hulst te hebben gelezen.

[]

"En ik herinner me Titus Broederland" is het verhaal over de onmogelijkheid om als helft van een tweeling een normaal leven te leiden. De haat-liefde verhouding die een bijna logisch gevolg is van het opgroeien met je spiegelbeeld, als je spiegelbeeld. Je leeft onder elkaars huid, die past als de jouwe maar op den duur toch niet als gegoten zit.

Persoons- en geografische namen duiden op een Nederlands decor, maar daar waar de sfeer benauwd gesloten blijft, geeft de reis van de tweelingbroers dermate wijdse landschappen prijs dat Amerika waarschijnlijker is. De reis is een lange vluchtpoging voor het gevaar dat de wereld bedreigt.
Hun wegen lopen soms wel erg parallel met die van de vader en de zoon in Cormac Mccarthy's "The Road", wat het idee van Amerika doet toenemen en een aantal bijna-déja-vu's het pad doet kruisen.
Maar eigenlijk doet dat er weinig toe: wat telt is de constante strijd. De zekerheden van de hoofdrolspelers worden steeds schaarser en steeds moeilijker in stand te houden. Zekerheden van een wereld die letterlijk in een groot gat dreigt te verdwijnen, maar ook de zekerheden van een broederschap, een eenheid die onherroepelijk op een fataal einde lijkt af te stevenen.
De kerk speelt een belangrijke rol in het leven van de gebroeders Broederland, maar vanaf het prille begin tot het bittere eind uitsluitend in negatieve zin.

"Ik herinner me Titus Broederland" was mijn eerste kennismaking met Auke Hulst. De manier waarop hij de uitzichtloosheid van twee mensenlevens weet te vangen is groots. Je voelt als lezer de dwangbuis die het leven, door wat voor omstandigheden dan ook, kan vormen.
Hulst schrijft poëtisch, mooi. Af en toe overschrijdt hij de grens van het belerende, jammer. Maar al met al was zijn herinnering aan Titus Broederland een aangename kennismaking.

maandag 28 maart 2016

Gouden bergen

De doorgaande weg van Domodossola naar Locarno snijdt Druogno in twee. Aan de noordkant de kerk, huizen aan straten die allemaal naar de twee aders bergop leiden. Aan de zuidkant het dal, wat appartementen jaren zestig-zeventig stijl en het station.
Een stoeprand scheidt de doorgaande weg van het smalle terras van een van de twee barretjes die het dorp rijk is. Je kunt er de vouwen uit je broek en de consumptie uit je glas laten rijden. Binnen is alles groezelig, de kopjes van de espresso, de tafelkleedjes, de stoelen. Zelfs de kroegbaas zou best een beetje water en zeep kunnen gebruiken. De koffie kost er een euro, een glas water is gratis.
De plaatselijke jeugd koopt er krasloten, wint vijf euro, verliest er vervolgens vijftien zoals in de beste families, maar vooral in de minder bedeelde voorkomt. Boven de kassa verleiden tropische eilanden en worden gouden bergen beloofd. De uitbater waarschuwt in hanepoten: ,,Er wordt niet gestolen, toch?''
Je kunt er ook sigaretten kopen, de krant, een tijdschrift en een keukenklok met een afbeelding van de paus. En ansichtkaarten, die tevoorschijn komen vanachter andere krasloten, plakplaatjes, vergeelde boeken met verkleurde omslagen. Zes verschillende afbeeldingen zijn er. Drie vallen meteen af omdat de jaren de kaartjes krom getrokken hebben. Ik verdeel de andere drie over vijf kaartes: twee keer het dal van de Valle Vigezzo, twee keer Druogno vanaf de berg gezien die boven het dorp uittoornt en eenmaal de kerk van Druogno. De klok op de toren geeft twintig over twee aan, de schaduwen en de kleuren duiden op een vroege herfstmiddag.
Ook postzegels moeten ergens zijn, maar worden niet gevonden.

Op het stationnetje van Druogno wacht een mevrouw op de trein. Ze is een Russin. ,,Een echte Russin'', verduidelijkt ze. ,,Een Kozak.''
De treinen rijden er van Domodossala, in Italië, naar Locarno in Zwitserland, en weer terug. Om tien over één stopt de trein richting Domodossola en de Russin stapt in. Het treinstel zet zich in beweging. De mevrouw zwaait naar ons, zoals alleen echte Russinnen kunnen zwaaien.
De trein richting Locarno zou volgens de dienstregeling om negentien minuten over één aan moeten komen. Hij arriveert met de precisie van een Zwitsers uurwerk.
,,Twee enkeltjes naar Santa Maria Maggiore.''
,,Dat is twee euro zestig. Kunt U passen?''


 

zondag 31 januari 2016

Een kaartje


Kronkels. Ik denk dat het m'n eerste rechtstreekse aanraking is geweest met literatuur. Dankzij m'n ouders, ook al waren ze geen fervent lezers. Maar Kronkels was anders. Kronkels was tv, en Carmiggelt was de schrijver die meer beeld was dan geschreven woord.
De cursiefjes die Simon Carmiggelt aan het eind van de Vara-avonden voorlas zijn jarenlang in kleur te zien geweest, maar ik herinner me degene in zwart wit. Net als de maanlanding, beelden die op eenzelfde frequentie in mijn herinneringen zijn geregistreerd.
TV was nog eenvoudig, Nederland 1, Nederland 2 en "de Belg". En op vakantie luisterde je naar de wereldomroep. Eén keer op de week belde je naar huis, wat je een uur wachten in de rij kostte en een kilo of vijf aan kleingeld. En je stuurde een kaartje, een ansichtkaart.

Regelmatig stuur ik nog kaartjes, en soms weet ik iemand over te halen om het ook eens te doen. Want een message of een whatsapp kan niet in de schaduw staan bij het sturen van een ansichtkaart. Ook al is het aanbod minder geworden, het vergt nog altijd voldoende intern overleg welke kaartjes het beste bij welke persoon passen. Postzegels zijn vaak niet meer te koop in het winkeltje met souvenirs, dus de volgende etappe is het postkantoor. Alleen deze handelingen al bezorgen een vakantie of een uitstapje een extra dimensie. En dan neem je plaats in een cafeetje of op een terrasje om de kaartjes te schrijven. De ruimte is miniem, dus je woorden moet je kiezen en afwegen. Zoals een schrijver in het klein.

Karel Kindermans bracht in 1997 een serie van twaalf ansichtkaarten uit met tekeningen van Nederlandse schrijvers. Simon Carmiggelt was een van hen, waarschijnlijk niet alleen dankzij zijn markante kop maar ook omdat hij een begenadigd schrijver van kaartjes was geweest.
In "Mijn beter ik" van Renate Rubinstein (dat na haar dood in 1991 verscheen) treffen we een van de vele voorbeelden van kaartjesschrijver Carmiggelt. Nice, Frankrijk. Het jaar is 1981: “Ik heb hier leuke strandvrienden gemaakt - Harry en Trees uit Amsterdam. Harry is behanger. Hij loopt in de WAO (zijn rug). Trees werkte vroeger bij Verkade. We hebben goede gesprekken, mits ik een aantal onderwerpen vermijd, zoals Surinamers, de hedendaagse jeugd, Henk van der Meijden, Marokkanen, Jos Brink, moderne schilderkunst en Den Uyl. Vandaag gaan zij terug naar Amsterdam, maar ze hebben beloofd mij volgende maand te bellen. Ik heb jouw telefoonnummer opgegeven.
Wil je, als Harry belt, tegen hem zeggen dat ik ben afgereisd naar Azie?''

"Een kaartje" verscheen eerder als column op de Facebook-pagina van Jet's Minibieb. 

zaterdag 9 januari 2016

55


Dat was wat, 55 jaar geleden. Het was fris, maar niet voor de tijd van het jaar. Januari was altijd koud, en ook in 1961. En ik moest geboren worden, slecht getimed, maar dat was voor het eerst en het laatst van m'n leven niet mijn schuld. O, wat was het koud.
Mijn moeder was de liefste moeder van de hele wereld, maar ze was niet al te groot. Een tweede ongelukkige samenloop van omstandigheden dus, want ik was een flink uit de kluiten gewassen aanstaande nieuwe wereldburger op de drempel (zuiver figurlijk gesproken) van het leven.
Ik had veel getrappeld in de maanden hiervoor, maar nu stond ik niet te trappelen hoor. De winter van 1961, hardstikke koud, ik zou zelf moeten gaan ademen, vast eten, en allemaal dingen die ik niet lustte. Op tijd naar bed, ook zoiets. O ja, en het moeilijkste: ik moest mijn hersens gaan gebruiken.

Maar goed. Willen of niet, ik werd de wereld opgesleurd. Het was een jongetje, het was 10 januari, het leven begon... en er was niemand liever.


 
Grace Love & the True Loves - Nobody's Sweeter