zondag 31 januari 2016

Een kaartje


Kronkels. Ik denk dat het m'n eerste rechtstreekse aanraking is geweest met literatuur. Dankzij m'n ouders, ook al waren ze geen fervent lezers. Maar Kronkels was anders. Kronkels was tv, en Carmiggelt was de schrijver die meer beeld was dan geschreven woord.
De cursiefjes die Simon Carmiggelt aan het eind van de Vara-avonden voorlas zijn jarenlang in kleur te zien geweest, maar ik herinner me degene in zwart wit. Net als de maanlanding, beelden die op eenzelfde frequentie in mijn herinneringen zijn geregistreerd.
TV was nog eenvoudig, Nederland 1, Nederland 2 en "de Belg". En op vakantie luisterde je naar de wereldomroep. Eén keer op de week belde je naar huis, wat je een uur wachten in de rij kostte en een kilo of vijf aan kleingeld. En je stuurde een kaartje, een ansichtkaart.

Regelmatig stuur ik nog kaartjes, en soms weet ik iemand over te halen om het ook eens te doen. Want een message of een whatsapp kan niet in de schaduw staan bij het sturen van een ansichtkaart. Ook al is het aanbod minder geworden, het vergt nog altijd voldoende intern overleg welke kaartjes het beste bij welke persoon passen. Postzegels zijn vaak niet meer te koop in het winkeltje met souvenirs, dus de volgende etappe is het postkantoor. Alleen deze handelingen al bezorgen een vakantie of een uitstapje een extra dimensie. En dan neem je plaats in een cafeetje of op een terrasje om de kaartjes te schrijven. De ruimte is miniem, dus je woorden moet je kiezen en afwegen. Zoals een schrijver in het klein.

Karel Kindermans bracht in 1997 een serie van twaalf ansichtkaarten uit met tekeningen van Nederlandse schrijvers. Simon Carmiggelt was een van hen, waarschijnlijk niet alleen dankzij zijn markante kop maar ook omdat hij een begenadigd schrijver van kaartjes was geweest.
In "Mijn beter ik" van Renate Rubinstein (dat na haar dood in 1991 verscheen) treffen we een van de vele voorbeelden van kaartjesschrijver Carmiggelt. Nice, Frankrijk. Het jaar is 1981: “Ik heb hier leuke strandvrienden gemaakt - Harry en Trees uit Amsterdam. Harry is behanger. Hij loopt in de WAO (zijn rug). Trees werkte vroeger bij Verkade. We hebben goede gesprekken, mits ik een aantal onderwerpen vermijd, zoals Surinamers, de hedendaagse jeugd, Henk van der Meijden, Marokkanen, Jos Brink, moderne schilderkunst en Den Uyl. Vandaag gaan zij terug naar Amsterdam, maar ze hebben beloofd mij volgende maand te bellen. Ik heb jouw telefoonnummer opgegeven.
Wil je, als Harry belt, tegen hem zeggen dat ik ben afgereisd naar Azie?''

"Een kaartje" verscheen eerder als column op de Facebook-pagina van Jet's Minibieb. 

zaterdag 9 januari 2016

55


Dat was wat, 55 jaar geleden. Het was fris, maar niet voor de tijd van het jaar. Januari was altijd koud, en ook in 1961. En ik moest geboren worden, slecht getimed, maar dat was voor het eerst en het laatst van m'n leven niet mijn schuld. O, wat was het koud.
Mijn moeder was de liefste moeder van de hele wereld, maar ze was niet al te groot. Een tweede ongelukkige samenloop van omstandigheden dus, want ik was een flink uit de kluiten gewassen aanstaande nieuwe wereldburger op de drempel (zuiver figurlijk gesproken) van het leven.
Ik had veel getrappeld in de maanden hiervoor, maar nu stond ik niet te trappelen hoor. De winter van 1961, hardstikke koud, ik zou zelf moeten gaan ademen, vast eten, en allemaal dingen die ik niet lustte. Op tijd naar bed, ook zoiets. O ja, en het moeilijkste: ik moest mijn hersens gaan gebruiken.

Maar goed. Willen of niet, ik werd de wereld opgesleurd. Het was een jongetje, het was 10 januari, het leven begon... en er was niemand liever.


 
Grace Love & the True Loves - Nobody's Sweeter

donderdag 7 januari 2016

Generatiegenoten


https://www.facebook.com/Jets-Minibieb-1523366784568956/?fref=ts

Sinds december mag ik elke maand een column schrijven voor de Facebook pagina van "Jet's Minibieb". Een hele eer, want Jet's Minibieb is in de korte tijd van haar bestaan een ontmoetingspunt geworden in Zuiddorpe, een dorpje in Zeeuws Vlaanderen dat langzaam maar zeker bijna al haar voorzieningen heeft zien verdwijnen.
De column gaat over lezen, schrijven en alles wat daarmee in verband gebracht kan worden. Passen en meten, dat wel, want er wordt van me verwacht dat ik circa 300 woorden aanlever. Dat lijkt niet veel, maar Mariëtte van de Minibieb heeft gelijk, het is precies de juiste lengte.

Mijn eerste column schreef ik aan de hand van een weekeinde Tielt met een groep hele goeie vrienden waarmee ik een jaar of 35 geleden de middelbare school doorliep, wat in mijn geval doorstruikelen was.




GENERATIEGENOTEN

Een tijdje geleden was ik onderweg naar Tielt, in België. Vanuit Calderara di Reno, in Italië, is dat een wereldreis, dat kan ik je verzekeren. Na ruim vijf uur onderweg glipte de trein voor m'n laatste etappe letterlijk door m'n vingers heen. Aan het vele wachten die dag (reizen is vooral dat: wachten, veel wachten) zouden zich een minuut of veertig toevoegen die ik hoopte op te vullen met iets snels tegen de opkomende trek van de vroege avond. Een wafel misschien.

Station Brussel-Zuid, de laatste golven avondspits. Iemand weekte zich los uit het gekrioel en in een bijna kaarsrechte lijn doorkruiste hij de stroom van pendelaars. ,,Hé, Wilfried de Jong.'' Maar hij was ervandoor voordat het goed en wel tot me doordrong dat hij het was. Een demarrage als uit een van zijn betere wielerverhalen. Maar ik zat in z'n wiel, ook al waren we er beiden op dat moment nog onwetend van.



Wat zitten ze dicht onder de oppervlakte, mijn vrienden en vriendinnen waarmee ik de middelbare school doorliep. Een half woord is vaak voldoende, net als toen, en de tijd lijkt hier stil te zijn blijven staan. Als we na een weekeinde Aalst afscheid nemen heb ik geleerd dat je heimwee met een hoofdletter schrijft. Heimwee.
Roland stuurt me na een week een boek. Hij dweept met Reve, maar hij verrast me met Ventoux van Bert Wagendorp. Ik lees het in één ruk uit, want de roman zit me om het lijf gegoten als een oud colbertje waar zo moeilijk afstand van te doen is en derhalve voor eeuwig in de kast blijft hangen. Wagendorp is vijf jaar ouder dan ik, en komt uit de provincie. Dat laatste lijkt niet belangrijk, maar het is de enige manier om echt generatiegenoot te zijn. Veel van Ventoux is onze groep vrienden (een van ons woont zelfs op en steenworp van de Ventoux), veel ken ik en veel raakt net iets dieper.
Ventoux is inmiddels verfilmd. Wilfried de Jong, een generatiegenoot, speelt een van de hoofdrollen.



Mijn tweede column is inmiddels ook te lezen bij "Jet's Minibieb".

 

maandag 4 januari 2016

Over spellen en schoorsteenvegen

Spelalfabetten zijn best bijzonder. Zo bestaat er naast het internationaal spelalfabet (je mag ook spellingalfabet of telefoonalfabet zeggen) het zogenaamde NAVO-alfabet. Ook dit is internationaal maar dan anders. Wie denkt dat al ingewikkeld is heeft het nog niet gehad over de nationale spelalfabetten. Ieder land heeft een redelijke locale manier van verwijzen en in de berm van de snelwegen der comunicatie is een gezellige variatie ontstaan.
Als je bijvoorbeeld de letter J neemt van Jérusalem (internationaal) dan kom je in het NAVO-alfabet op Juliett uit, wat je eerder in het Franse spelalfabet zou verwachten. Die kiezen echter voor Joseph, wat ook best uit het Duitse spelalfabet geplukt had kunnen zijn maar daar is het Julius. In Nederland is het Jan, in Engeland Jack, in Spanje en Portugal José. Allemaal redelijk logische verwijzingen naar min of meer logische namen. En in Italië... Jolly! Ja, die hebben de joker ingezet want in hun gewone alfabet bestaat de J niet. Ook de K hebben ze niet, en dat hiaat heben ze voor het spelalfabet op weten te vullen met "Kursaal". Ik vraag me af wie dat ooit heeft verzonnen.
Behalve de "buitenlandse" woorden valt een ander aspekt op als je het Italiaanse spelalfabet vergelijkt met de andere nationale spelalfabetten: daar waar de meeste landen kiezen voor jongens- en meisjesnamen hebben ze in de laars van Europa over het algemeen voor geografische aanduidingen gekozen. Namen van steden die over het algemeen redelijk bekend zijn en die regelmatig in de krant of op het journaal voorbij komen. De A van Ancona, de B van Bari, de C van Como, de D van Domodossola... Domodossola?

Domodossola




Santa Maria Maggiore ligt in het Valle Vigezzo, ongeveer halverwege. In het westen komt dit bochtige dal in het Valle d'Ossola uit (precies ter hoogte van Domodossola) en aan de andere kant wordt het Valle Vigezzo Zwitsers en ontmoet het Lago Maggiore.
Tegenwoordig profiteert een stadje als Santa Maria mee van de uitlopers van het massatoerisme dat het Lago Maggiore bevolkt, maar vroeger was het hier echt pure armoe. De grond was moeilijk te bewerken en de schamele landbouw leverde weinig of niets op. Grote gezinnen waren min of meer verplicht een zoon aan een patron te verkopen om te overleven. Een situatie die tot vroeg in de vorige eeuw geduurd heeft.
Kinderen tussen de 6 en de 10 jaar waren het meest gewild, want zij konden het beste dienst doen als schoorsteenvegersjongen in Milaan. Klein, mager (want ondervoed), zodat ze de schoorstenen ingejaagd konden worden om ze schoon te maken. Ze werden mishandeld, en hadden vaak nog slechter te eten dan eerst. Gelijdelijk aan begon de stroom schoorsteenvegertjes uit het Valle Vigezzo ook de grenzen over te trekken.  Ze trokken lopend naar Oostenrijk, Duitsland, Frankrijk, Nederland, België, Noorwegen, Zweden, Polen, Hongarije en zelfs Rusland. Een trektocht van meer dan vijf jaar was geen uitzondering. In duizenden moeten ze vanuit het Valle Vigezzo hun geluk in het buitenland gezocht hebben. Weinigen zijn er rijk geworden. Integendeel.

De geschiedenis van de schoorsteenvegers uit het Valle Vigezzo blijft verbonden aan een opmerkelijke gebeurtenis aan het Franse hof in 1612. Tijdens zijn werk was hij er getuige van hoe hoe enkele hoogwaardigheidsbekleders in een van de vele zalen van het Louvre spraken over een samenzwering tegen koning Lodewijk XIII en zijn moeder Maria de' Medici. Lodewijk was op dat moment slechts 11 jaar oud, maar had zijn vader op moeten volgen toen die twee jaar daarvoor vermoord was. Zijn moeder was regente tot Lodewijk meerderjarig zou worden. Een situatie waarmee een deel van de Franse adel aan het hof het allesbehalve eens was.
Met veel moeite kreeg de schoorsteenveger audiente bij Maria de' Medici, die op tijd wist in te grijpen. Als beloning vroeg de jongen toestemming voor zijn landgenoten om handel te mogen drijven in sierraden, wat dat leverde in ieder geval meer op dan schoorstenen vegen. Het privilege werd op 10 oktober 1613 door de koning bevestigd. Hiermee was een definitieve band gelegd tussen het Franse hof en de Valle Vigezzo die zijn voetsporen tot vandaag de dag achterlaat: de familie Mellerio bijvoorbeeld (een van de belangrijkste Franse juweliers) is oorspronkelijk afkomstig uit Craveggia, een steenworp verwijderd van Santa Maria Maggiore. In de kerk van de heilige Giacomo e de heilige Cristoforo in Craveggia wordt het bruiloftskleed van Maria Antoinette en de begrafenis van Lodewijk XIV bewaard.

Craveggia

Santa Maria Maggiore