maandag 13 februari 2017

Nog een familieportret



The Hilton Family

Jamie Diamond noemt zichzelf interdisciplinair artiest. Voor zijn projecten maakt hij gebruik van fotografie, video en performance, of een combinatie daarvan.
Diamond is geboren in 1983 en woont en werkt in Brooklyn, New York.

Voor "Constructed Family Portraits" nodigde hij onbekenden op internet of op straat uit om als een familie in een hotelkamer te poseren voor de fotocamera. Het resultaat was een serie van, op het oog, normale studioportretten, scenes van alledaagse intimiteit. ,,Maar het zijn in werkelijkheid dus maatpakken'', geeft Diamond aan. ,,Er wordt een familie neergezet hoe die geacht wordt te zijn.''
Aan elke familie werd de naam gegeven van het hotel waar de betreffende foto gemaakt was.

The Harmonie Family

The Radisson Family

zondag 12 februari 2017

Familieportret



,,Op de foto?'', brult Wannes. ,,Waar is dat goed voor?''
Wannes brult, maar hij is niet kwaad. Ook al klinkt het wel zo. Nee, Wannes is doof. En daarom roept hij, brult hij, alsof iederéén doof is. Wie hem daarop aanspreekt krijgt, als hij eenmaal door de taaie wand van dof geruis in Wannes' dovemansoren heen gebroken is, nul op rekest. Wannes roept niet, meent hij overtuigd. ,,Ik spreek soms met een lichte stemverheffing, maar dat is alles.''
Die stemverheffing heeft hij weer overgehouden uit het leger. ,,Toen we dienden voor Volk en Vaderland'', denderen de woorden in hoofdletters over Wannes' lippen. Volk en Vaderland vormen kleine speekselbelletjes, die als wit schuim in de mondhoeken achterblijven. ,,Tucht, Discipline.'' Meer schuim, vooral 'discipline' draagt bij. ,,Je zou een goeie branding zijn, opa'', merkt achterkleinzoon Jamal op. ,,Of een een pilsje'', grinnikt Jamals neefje Dween. [Ja, met deze naam hebben zijn ouders hem voor de rest van zijn leven geëerd, ik zweer het je. Geen Dwain, nee, Dween!]

Het gelach gaat aan Wannes voorbij. Hij is er even niet. De blik op oneindig glijdt langs de sanseveria's de vensterbank over, omzeilt de tuinkabouters, de straat uit, het dorp uit, de klok een jaar of zeventig achteruit. Alleen Leuntje, oma Leuntje, weet waarheen.
Legergroen, tucht, discipline, kameraadschap, solidariteit. Schouders recht. De klap kwam nog voordat Wannes het zelfs maar tot soldaat eerste klas had kunnen schoppen. Terug naar huis, naar Leuntje. Hardhorend, en voor altijd bang voor het donker. Een nachtlampje aan, al zeventig jaar lang. Maar in een droom branden geen nachtlampjes, en nog steeds roept Wannes af en toe tegen het donker. Zo treedt hij zijn angsten tegemoet. Totdat Leuntje hem wekt.

Oma Leuntje legt haar hand op Wannes' pols, knijpt zacht. Zacht meanderende aderen onder de dunne, rimpelende huid. Hij knippert een keer met z'n ogen, iets vochtiger als daarnet. Maar hij is er weer, 2017. Kijkt Leuntje aan. ,,De foto'', zegt ze.
Kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen staan en zitten al klaar. De jaarlijkse familie-reünie. Sinds een jaar of vijf komt er een echte fotograaf voor een officieel familieportret. En elke keer wil Wannes' weten waar dat dan wel goed voor is.
,,Omdat je zo'n lekker beest bent, opa'', brult Jamal in zijn oor. Dween lacht. Leuntje lacht. Wannes lacht. Iedereen lacht, en de fotograaf klikt.
Zo moet een familieportret zijn.

Afbeelding: Adriaan de Lelie - Portret van de familie van Jan van Loon (1786)

zaterdag 4 februari 2017

Alle vogels, dingen met veren


"Hebban olla uogala nestas hagunnan hinase hi(c) (a)nda thu uuat unbidan uue nu"...
Nee, er is niks met m'n toetsenbord.
Deze zin werd waarschijnlijk geschreven in de tweede helft van de elfde eeuw door waarschijnlijk een West-Vlaamse kopiist. Dat is twee keer waarschijnlijk in één zin... Lang heeft men aangenomen dat "Hebban olla uogala..." de oudst bekende zin in het Oudnederlands was, maar na het twee maal waarschijnlijk uit de vorige zin zal het U niet verwonderen dat ook dat laatste inmiddels terug gedraaid is.
Desondanks is het een prachtige zin:
"Alle vogels zijn nesten begonnen, behalve ik en jij. Waar wachten wij nu op?"


En de vogels?
Ook die zongen in de elfde eeuw al zoals ze gebekt waren, maar net zoals onze taal anders was als nu, was ook hun taal anders. Aangezien de menselijke taal en de vogelzang op dezelfde manier ontstaan zijn - er zijn wetenschappers die zo ver gaan te beweren dat de vogeltaal aan de basis heeft gestaan van de mensentaal - zou het immers wel heel erg hooghartig zijn om ervan uit te gaan dat alleen onze taal evolueert. Zoals een baby leert praten van zijn ouders en daarbij een eerste periode van brabbelgeluiden kent, zo leert de babyvogel fluiten en zingen van zijn ouders. Het opvullen van de steeds kleiner wordende hiaten in de woordenschat heeft eenzelfde ontwikkeling.

- Dat wist ik helemaal niet, joh! -

Het idee van Noam Chomsky dat er een soort van 'universele' grammatica bestaat lijkt te kloppen. Onderliggende structuren van onze talen hebben veel gemeen, ook al klinkt het in iedere taal natuurlijk weer anders.
Vogels hebben dat probleem niet, want zij kennen geen talen en hun grammatica is dus per definitie universeel. Maar ook onze gevederde vriendjes blijken elkaar niet altijd te 'verstaan'. Een plattelandsmerel zou zich verloren fluiten in de grote stad, omdat de spits zijn lied overstemt. Een stadsmerel kent het probleem en begint vroeger in de ochtend te zingen. Je zou het in zekere zin een vorm van evolutie kunnen noemen.

Vogels gebruiken hun taal om te comuniceren, te waarschuwen, en vooral om indruk te maken. Een moeilijke noot of een ingewikkelde loopje wordt herhaald en herhaald om te laten zien dat hij de beste is. En zo de aandacht te trekken van dat fraai gepluimde deerntje op tak 7 blad 53 van de eik op de hoek van de Dorpsstraat en de Brink.
Ook de mens gebruikt zijn taal om indruk te maken. We dichten onszelf niet geheel aan de waarheid beantwoordende heldendaden toe. Of ondergraven juist de talenten van een collega of een kroeggenoot. Leugentjes om bestwil, het schijnt dat we (de beroemde gemiddelde 'we) een keer of twee, of drie, liegt op een dag. Legentjes om bestwil. Om er zelf beter van te worden, wil dat zeggen. En zo de aandacht te trekken van dat lekkere stuk op stoel 7 rij 53 van de bioscoop op de hoek van de Dorpsstraat en de Brink.

De evolutie van de taal in tienduizend jaar, teruggebracht in een simpel maar essentieel ,,Ik wil je!'' Of in een zin: "Alle vogels zijn nesten begonnen, behalve ik en jij. Waar wachten wij nu op?"


Ik schreef het bovenstaande nadat ik "Verdriet is een ding met veren" van Max Porter had gelezen.
De recensie, die ik ook op Hebban.nl heb geplaatst vind je hieronder.

[]


,,Een kraai kraait niet, maar krast'', volgens Wikipedia. ,,Het "kraa-kraa-kraa" wordt veel gehoord, maar hij maakt ook andere geluiden.''
Wie "Verdriet is een ding met veren" van Max Porter heeft gelezen weet daar alles van.
Max Porter is hoofdredacteur bij Granta en Portobello Books in Londen en voormalig eigenaar van een onafhankelijke boekwinkel. Porter noemt zichzelf kritisch bewonderaar van Ted Hughes, één van de beste dichters van zijn tijd en kinderboekenschrijver. Zijn bekendste werk werd Crow.

Het zijn deze elementen die een emotioneel, maar op zich eenvoudig verhaal verweven tot een meesterstuk. Een vader is met zijn twee zoons achtergebleven nadat de moeder onverwacht is overleden. Een rouwproces volgt waarbij ze bijgestaan worden door een ongenode gast, die letterlijk hun huis en hun leven binnenvalt en, zo kondigt hij aan, pas weg zal gaan als het tijd is.

De literaire kennis van Porter is enorm. Dat bewijst hij al door met de originele titel (Grief is the thing with feathers) naar Emily Dickinson's gedicht 'Hope is the thing with feathers' te verwijzen. Verdriet, hoop. Twee pijlers waar een verhaal als dit op hoort te rusten om het niet als een kaartenhuis in elkaar te laten storten.
En dan begint het boek, en val je een beetje van de ene verbazing in de andere. Poezie, novella, fabel. Je weet nooit wat je te wachten staat als je het ene hoofdstuk uit hebt en het andere gaat beginnen. De hoofdstukken zijn kort, dat wel, maar met zijn afwisselende stijlen nodigt Porter uit om vooral om te slaan en verder te lezen.

We beleven het verwerkingsproces mee vanuit drie verschillende gezichtspunten. Dat van de vader, de echtgenoot, dat van de twee zoontjes en dat van de ongenode gast... de kraai. Elke vorm van realiteit zou normaal gesproken met een hoofdpersoon als deze uit het verhaal verdwijnen, maar Max Porter verstaat de kunst om deze fabelfiguur deel uit te gaan laten maken van het "echte" leven van de andere hoofdrolspelers zonder dat je er echt erg in hebt.
Ik heb "Verdriet is een ding met veren" in het Engels gelezen. Mijn Engels is niet perfect, en dat is deze keer ook een voordeel geweest. Het ritme, de melodie in de woorden van kraai kreeg namelijk een kans en ik heb zo de grote kracht van Porter kunnen ontdekken: kraai praat echt als een vogel, dezelfde wippende bewegingen in een zin, dezelfde herhalingen van korte klanken in elkaar snel opvolgende woorden (zoek op You Tube het filmpje maar eens op waarin Porter voorleest uit zijn boek). En op dat moment kom je er als lezer achter dat het met de andere hoofdpersonen hetzelfde is: de vader praat anders als zijn zonen, ook al gebruiken ze alle drie dezelfde woorden en ook al bewandelen ze alle drie hetzelfde pad om hun verlies te verwerken.

Natuurlijk is het uiteindelijk tijd en verdwijnt kraai even onverwacht als hij gekomen is. Dat zal geen verrassing zijn en mag best verklapt worden. Het gaat namelijk om wat er tussen zijn komst en vertrek gebeurt. En dat is fabelachtig mooi.
"Verdriet is een ding met veren" is kort, maar niet te. En het is een boek dat, als je het uit hebt, al roept om nog een keer gelezen te worden. Ik weet zeker dat ik dat ga doen.


 

donderdag 2 februari 2017

De dood van een eiland



Verhalen gaan altijd over personages in nood, leerde ik een tijdje geleden weer al in Marjon Sarneels schrijversblog. Ergens anders las ik dat veel debuterende schrijvers over de dood schrijven.
Hoe staat het met mijn leesgedrag? Als ik het lijstje van mijn Goodreads Reading Challenge doorloop blijkt de dood in 8 van de 14 gelezen boeken een prominente rol te spelen.

Fulvio is een echte boekenverslinder. Zijn interesses zijn hemelsbreed, maar biografieën hebben zijn voorkeur. ,,Ook al weet ik van te voren hoe ze aflopen.'' De dood verkoopt goed, weet Fulvio. ,,Moet jij maar eens kijken hoe snel de biografie van een verse dode een bestseller wordt.''
Fulvio's interesse voor geschiedenis verklaart grotendeels zijn voorliefde voor biografieën, maar niet helemaal. ,,Als je het leven van iemand leest ontkom je niet aan de indruk dat alles al vooraf geschreven is. Gebeurtenissen volgen elkaar vaak zo logisch op. Je kunt er niet aan ontsnappen. Alsof je op een eiland zit.''
Als Napoleon Bonaparte dat had geweten.

Boudewijn Büch is waarschijnlijk de grootste eilandengek geweest die Nederland ooit heeft gekend. Natuurlijk heeft hij in zijn 'Eilanden' over Sint-Helena en over Napoleon geschreven, en bij 'Barend & Van Dorp' is hij nog eens komen vertellen over zijn jacht op de piemel van de keizer. De meest fantastische verhalen, die zo goed bij Büch pasten. Waar hield werkelijkheid op en waar begon fantasie? Dat was bij de schrijver van 'De kleine blonde dood' altijd de vraag, maar zijn reisverhalen blijven aangenaam leesvoer.

Vier weken nadat men bij Fulvio leverkanker in een vergevorderd stadium heeft geconstateerd is hij overleden. Bijna niemand wist het. Fulvio wilde iedereen herinneren zonder bemoedigende woorden, zonder tranen, zonder troost. Hij wilde bovendien met zijn laatste vier weken doen wat hij wilde, voor zover mogelijk. En dat was lezen, maar een biografie raakte hij niet meer aan. Romans, de eerste weken. Daarna korte verhalen, toen de pijn het vaker begon te winnen van de concentratie. Hij kon steeds minder ver reizen op woorden, de morfine nam het dan over maar maakte zijn schip stuurloos.

Een van de laatste boeken die Fulvio las was 'De atlas van afgelegen eilanden' van Judith Schalansky. Vijftig eilanden waar ik nooit ben geweest en ook nooit zal komen, zo luidt de sub-titel.

(dit artikel verscheen eerder als column op de Facebook pagina van Jet's Minibieb)

maandag 23 januari 2017

Zondag, 06:30


,,Morgen moeten we de wekker zetten.'' Lief kijkt me aan, haar blik spreekt boekdelen. Als ze kon zou ze 'halve gare' zeggen, maar Lief is Italiaans en Italianen kunnen geen 'halve gare' zeggen. Wat op zich een groot voordeel van een internationale relatie is. Het nadeel is dat Italianen weer heel veel andere dingen kunnen zeggen. Om een lang verhaal kort te maken, morgen wordt de wekker niet gezet. Want morgen is het zondag. 
's Zaterdags wordt het bij ons dikwijls later dan normaal. Bioscoopje pikken, pizza eten met vrienden, of me gewoon thuis ingraven in een boek of in een stapel tijdschriften. Ezelsoren geven de mogelijk interessante, dus nog te lezen artikelen aan. Te laat, en een beetje slaapdronken zoek ik uiteindelijk mijn bed op.

Normaal ben ik bijna elke morgen een beetje slaapdronken als de wekker afloopt. Ik doe er over het algemeen even over om de ene hersencel met de andere te laten communiceren. Aangezien een recent wetenschappelijk onderzoek aan de universiteit van Rio de Janeiro heeft aangetoond dat de gemiddelde mens zo'n 86 miljard (!) hersencellen of neuronen onder zijn pannetje heeft liggen, lijken mijn dagelijkse opstartproblemen me heel logisch verklaarbaar.
Op het moment dat de wekker deze zondagmorgen afloopt schiet mijn arm echter met de snelheid van het licht naar mijn nachtkastje en nog voordat de wekker de T heeft kunnen beëindigen waarmee hij doorgaans het zenuwslopende tuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuut inzet heb ik de knop al ingedrukt. Met de snelheid van het licht! Nog voordat!! Al!!! Zo lijkt het in ieder geval toch. Met mijn ogen wijd open staar ik in het nog bijna donker naar het plafond. Ik voel de kringen rond m'n ogen, de wallen eronder. Half zeven, heb ik in de gauwigheid gezien. Of 06:30, zoals mijn wekker het schrijft. Heb ik gisteravond laat met mijn slaperige kop automatisch de wekker gezet alsof ik moest gaan werken. Wonderlijk hoeveel een mens in zo'n beperkte tijdspanne kan registreren.
Naast me lijkt Lief zich, in het geheel onbewust van mijn agitatie op de vroege zondagmorgen, onbekommerd voort te laten dobberen op de zachtdeinende golven van haar slaap. Ik voel hoe ook mijn 86 miljard hersencellen zich nog eens omdraaien en hoe ook ik...

Ik ben geen langslaper, dus als Lief zich om tien uur aan dek begeeft ben ik al gedoucht en heb ik al een uitgebreid ontbijt achter de kiezen.
,,Buongiorno.''
... [dit is de pauze die valt vóór het antwoord en die niet zou vallen als er niets aan de hand zou zijn en die onmerkbaar is voor de buitenstaander maar onmiskenbaar voor ons - ja, iedere man kent "de pauze" - mannen, echtgenoten, verloofden, verliefden]
,,Buongiorno.''
... [het wachten op het waarom van de pauze. duurt over het algemeen niet lang]
... [over het algemeen]
,,Waarom laat jij de wekker om half zeven aflopen op zondag?''

vrijdag 13 januari 2017

Studie-object


Zoonlief moet een interview doen met iemand die in het buitenland woont. Hij woont in Nederland, en zo dreig ik even een in het buitenland wonend studie-object voor mijn nazaat te worden. Zijn leraar brengt uitkomst: niet alleen moet het object in het buitenland wonen, maar het moet ook autentiek buitenlands zijn. Ik val dus af, want dialekten tellen niet.
Kev ziet zijn kans schoon en strikt mijn lief als studie-object. Hij stuurt de vragen wel op.

Al twee avonden zitten mijn lief en ik elkaar nog net niet in het haar. Vragen over Italië, het werk, het geloof, de mannenmaatschappij, geluk, welzijn, politiek, Europa. Hij heeft zich goed voorbereid, maar ik zit met de 'pere fritte', oftewel de gebakken peren. Ik vertaal in en vanuit het Engels, het Italiaans, het Nederlands. Niet altijd gaat me dat even goed af, wie me een beetje kent weet dat. En verder blijkt dat we het lang niet altijd eens zijn, waar we dachten dat wel te zijn. Of laat ik het anders zeggen, we zijn het wel eens maar we verwoorden het anders. En dat komt omdat ons uitgangspunt verschilt. Italië loopt namelijk achter [één goeie raad: zeg dat nooit tegen een Italiaan of een Italiaanse], één generatie ongeveer. Best interessant.
Italië heeft in mijn lief's leven enorme stappen voorwaarts gemaakt, maar aan het eind van het liedje staat ze (blij, maar daar gaat het niet om) nog maar aan het begin van de homohuwelijken (de eerste zijn hier een aantal maanden geleden voltrokken). Mannetje-mannetje-paren en vrouwtje-vrouwtje-paren kunnen hier geen kinderen adopteren, euthanasie is nog steeds illegaal, vrouwen hebben heel veel minder kans op een carrière. Zij kijkt naar het eerste deel van de stelling en ziet tevreden een halfvol glas op tafel staan. Ik kom vanuit een andere werkelijkheid, kijk naar het tweede deel van het verhaal en zie een halfleeg glas.

UIteindelijk komen we er natuurlijk wel uit: zij leegt haar halfvolle glas in mijn halflege. Tevreden nippen we van ons volle glas, om en om. Als het leeg is schenk ik nog eens bij.
We proosten op Italië, op Nederland, op Europa.


zaterdag 7 januari 2017

Driesprong


Links of rechts? Nergens een bordje, nergens een aanwijzing. Enkel bomen, en een smal karrespoor dat zich daar doorheen slingert. Ik begin het akelige gevoel te krijgen dat ik compleet verdwaald ben. De driesprong waarvoor ik sta komt me bekend voor. Erger, ik weet zeker dat ik hier een dik uur geleden ook al heb gestaan. Onmogelijk, want nadat ik beslist had rechtsaf te slaan, is geen enkel pad mijn weg nog gekruist. De afdrukken van mijn schoenen zouden mijn vermoedens kunnen bevestigen, ware het niet dat het inmiddels begonnen is met sneeuwen. Ik adem in witte wolkjes die zich even aftekenen tegen het donkere woud om vervolgens op te lossen in de grijze sneeuwlucht. De kou begint voelbaar te worden, maar tegelijkertijd voel ik een paniekerige warmte. Angstzweet, heet dat. Ik sla het linkse pad in, zonder echt overtuigd te zijn. 

Het ellendige is dat ik mezelf helemaal alleen in deze situatie gelaveerd heb. Vanmorgen vroeg heb ik na een stevig ontbijt de deur van het hotelletje achter me dicht getrokken en ben het bos ingetrokken. De sleutel heb ik bij de receptie afgegeven. ,,Er zit sneeuw in de lucht'', liet de receptioniste me weten. De glimlach waarmee ze haar waarschuwing begeleidde had het effect dat het wel mee zou vallen, en nog voordat ik de oprijlaan achter me had gelaten waren haar woorden al neergedwarreld als loze last. De witte tanden, rode lippen en blonde lokken nam ik graag met me mee.
Geen moment heb ik me zorgen gemaakt. Veel langer als een paar uur zou mijn wandeling immers niet duren. En verdwalen? Het zou de eerste keer zijn. Mijn stelling dat je altijd weer in de bewoonde wereld terecht komt, als je maar lang genoeg door blijft lopen, heeft me nooit in de steek gelaten. Daar houd ik me ook nu aan vast, maar met het verstrijken van de uren merk ik dat ook een rotsvast vertrouwen af kan brokkelen en uiteindelijk toch ook maar een gedachte is.

Het pad loopt iets omhoog nu voordat een flauwe, lange bocht naar links me verder het bos inleidt. Het is geen zware klim, maar ik voel de vermoeidheid in mijn benen. Bergschoenen en wollen sokken houden voorlopig voeten en onderbenen warm, maar mijn dijen voelen stijf aan. M'n kont doet pijn, m'n billen.
Mijn maag knort, maar ik laat de Snickers, die ik vanmorgen meegenomen heb, in mijn jaszak zitten. Ik voel me weeïg, ben bang dat ik over moet geven als ik nu die zoete klomp chocalade met noga en karamel en pinda's naar binnen werk. De gedachte alleen al doet me het zuur in mijn mond komen. Ik zweet. Ik heb het koud.

Vijf minuten later loopt het pad dood. Een gedeeltelijk met mos bedekte grijsgranieten rotswand reikt bijna loodrecht de sneeuwhemel in, verder dan het oog. Ik heb mijn plan B eigenlijk al klaar voordat ik me ervan verzekerd heb dat de rots een onneembare hindernis is. Ik zal terugkeren naar de driesprong en daar rechtsaf slaan, precies de weg bewandelen die ik gekomen ben dus. De volgende driesprong linksaf en dan zal ik al een heel eind in de goeie richting zijn. Maar ik moet de pas erin zetten nu, want de namiddag begint zich gelijdelijk op te maken voor de avond. Het zal geen uren meer duren voordat het donker is.

Als ik het pad terugloop en de lange bocht naar rechts de afdaling aankondigt ben ik zo opgelucht dat ik me in moet houden om niet te gaan hollen. Het mag dan wel bergaf zijn, wellicht is het toch beter om mijn krachten te sparen. De terugweg naar het hotel is immers lang.
Onderaan de heuvel verwacht ik meteen naar rechts te kunnen, maar ik moet me in de afstand vergist hebben. Maar ook de volgende tien minuten dient zich niets aan dat op een driesprong lijkt.
Een, met een steeds dikkere laag sneeuw bedekt karrespoor dat zich tussen een schier ondoordringbaar donker woud van eeuwenoude bomen heenslingert. Dat is alles. Ik stop, kijk vertwijfeld om me heen, luister naar een teken van leven. De enige tekenen van leven in deze immensiteit zijn mijn eigen gejaagde ademhaling, het ruisend in mijn oren versterkte bonzen van mijn hart en het bij tijd en wijle terugkerende klagelijk knorren van mijn maag. Voor de rest het lispelen van de vallende sneeuwvlokken dat sterft in de typische vredige stilte van een maagdelijk wit winterlandschap. Stilte.

Ik weersta de aandrang om terug te gaan, me ervan te verzekeren dat ik de driesprong niet gemist heb. Want ik weet dat ik de driesprong niet heb gemist. Ik weet dat, als ik op mijn passen terugkeer, ik wederom die wand van rotsen vind die mijn pad blokkeert. Ik loop dus door, sneller, want ik wil het invallen van het donker zo ver mogelijk voor me uit verschuiven. Blik op oneindig, verstand op nul, wat een bijna onmogelijke opgave is. Sneeuw begint zich te hechten aan baard, snor, wenkbrouwen, wimpers. Het zicht wordt minder. Mijn voeten doen pijn, mijn benen zijn zwaar, het gaat onverbiddellijk langzamer.
Na een uur kom ik dan toch bij een driesprong aan. Of beter, ik kom bij de driesprong aan waarnaar ik op zoek was. Maar de richting klopt niet, want waar ik de keuze zou moeten hebben tussen de weg rechtsaf en een andere rechtdoor wordt ik wederom geconfronteerd met de eerste situatie. Naar links dus, of naar rechts. Ik realiseer me dat ik geen mogelijkheden meer overheb: als ik naar links ga wordt mijn weg geblokkeerd door een rots, en rechts gidst me een uur lang door een bos om vervolgens weer hier terecht te komen.
Wat overblijft is me nù om te draaien en direct op mijn schreden terug te keren. Maar kom ik hier ooit nog uit? Geen idee, maar ik heb geen alternatieven.

Ik draai me om en ga op weg. Na een paar stappen knispert er iets onder een van mijn schoenen. Ik buk me en woel met mijn bijna gevoelloze vingers in de sneeuw. Een stuk papier lijkt het, nee. Een lege verpakking. In het halfdonker ontcijfer ik de mij bekende blauwe letters: Snickers.
Verbaasd verdwijnt mijn andere hand zoekend in mijn jaszak.

[]

Ik schreef "Driesprong" naar aanleiding van het boek "De goede herder" van Gunnar Gunnarsson.
Hieronder mijn recensie...

Gunnar Gunnarsson (1889-1975) was geen schrijver van deze tijden. Zijn vertelling "De goede herder" is geen verhaal van deze tijden.

Om met het levensverhaal van Gunnarsson te beginnen. Hij werd geboren in het arme noordoosten van IJsland, waar zowel financieel als materieel een gedegen scholing voor weinigen weggelegd was. Eenzelfde lot zou Gunnar Gunnarsson beschoren zijn geweest, ware het niet dat zijn schrijverstalent tijdig herkend werd en hij op 18-jarige leeftijd de kans kreeg om in Denemarken te gaan studeren. Gunnarsson greep die kans met beide handen aan,  maakte zich het Deens dermate eigen dat hij zijn romans in die taal schreef.
In de wereld van vandaag zou een besluit als dit synoniem zijn aan een literaire zelfmoord in eigen land. Het zou ongetwijfeld gezien worden als hoogmoed, landverraad, alles behalve een reden tot euforie. In het IJsland van de jaren dertig dacht men anders (wellicht nog steeds?) en de vertalingen in het IJslands van Gunnarsson's Deense romans werden stuk voor stuk bestsellers, en de autheur werd een symbool voor zijn land.

Boerenknecht Benedikt, 54 inmiddels, begint op adventszondag aan zijn jaarlijkse tocht de bergen in. Voor de 27ste keer (een half leven lang) onderneemt hij zijn zoektocht naar verdwaalde schapen. Niet omdat het zijn dieren zijn, maar enkel om het feit dat het levende schepsels zijn die, zo is Benedikts overtuiging, recht hebben om gered te worden van een zekere honger- of bevriezingsdood die de besneeuwde IJslandse bergen in pacht zouden hebben.
Het laatste boek dat Gunnar Gunnarsson in het Deens schreef was in 1936 "Advent". In het Nederlands heeft het de titel "De goede herder" meegekregen. Zoals al zijn boeken handelt het over het plattelandsleven in zijn vaderland IJsland, een onderwerp dat het bijzonder goed deed in Denemarken.
Benedikt is normaal gezien de enige levende ziel die zich in deze periode het barre landscahp in waagt. Hij wordt slechts bijgestaan door zijn hond Leo en de ram Knoest. Dit jaar loopt het allemaal anders omdat het drietal kostbare tijd verspeelt. Een boer heeft zijn schapen te laat op stal gebracht, waarna Benedikt nogmaals zijn goedheid laat gelden en hulp biedt bij het zoeken naar een stel veulens. Als hij eindelijk aan zijn eigen taak kan beginnen slaat het weer om en terugkeren naar de bewoonde wereld wordt steeds moeilijker.
Wat aantal bladzijdes betreft is "De goede herder" een niemendalletje, maar wat boodschap betreft is het verhaal natuurlijk enorm. Zonder de bijzondere stijl van Gunnar Gunnarsson zou het echter nooit verworden zijn tot Het Kerstverhaal uit de IJslandse literatuur, wat het tot de dag van vandaag is. Gunnarsson schrijft sober, en sluit daardoor naadloos aan op de hoofpersoon en zijn wereld. Benedikt is (nu) een man zonder wensen, omdat hij weet dat hij alles heeft wat hij kan wensen. Zijn beste vrienden heeft hij bij zich, Leo en Knoest, betrouwbaar, trouw. Gunnarsson schrijft essentieel, en sluit daardoor al even naadloos aan bij het landschap en de elementen. Weinige, juiste woorden zorgen ervoor dat een sneeuwstorm even heftig opsteekt als in de werkelijkheid. De kou, de wanhoop als een schuilplaats niet wordt gevonden, zijn bijna reëel.


"De goede herder" is een ideale metgezel in de decembermaand. In IJsland schijnt hij bij kerst te horen zoals de kerstman. Ik denk dat ook ik er in de toekomst heel graag nog eens naar terug zal grijpen.

- Ik las "De goede herder" in het Italiaans.
De titel is "Il pastore d'Islanda", en de ram luistert in deze versie niet naar de naam Knoest, maar heet Roccia, wat rots betekent. - 

vrijdag 6 januari 2017

Op tijd thuis voor het eten


Fotoreporter Paolo Pellegrin maakte in november van het afgelopen jaar samen met James Verini de indrukwekkende reportage "They all have to die now" voor de New York Times Magazine. Op weg naar Mosul, een van de felste brandhaarden in een van de wreedste wereldconfilcten op het moment.

Pellegrin maakt onder meer de onderstaande foto. Een jongen wordt opgepakt door Irakeense soldaten omdat hij ervan verdacht wordt een verklikker voor de ISIS te zijn.




Onvoorstelbaar. Hoe oud zou het gastje zijn? Tien jaar, elf, twaalf misschien. Wat voor een wereld is dit als je op zo'n leeftijd een dergelijke keuze moet maken om in leven te blijven? Of om te voorkomen dat je zusje of je moeder lastig gevallen wordt. Of... 
Het doet er ook niet toe. Als je tien bent moet je met autootjes spelen, godverdomme, en je enige zorg moet zijn of je wel op tijd voor het eten thuis bent. GODVERDOMME.

[]



Paolo Pellegrin werd op 11 maart 1964 in Rome geboren. Hij studeerde architectuur aan de universiteit La Sapienza, maar stopte na drie jaar om fotografie te gaan studeren.
Pellegrin is lid van de Magnum Agency. Hij won tot nu toe tien World Press Photo Awards.

maandag 2 januari 2017

Oliecrisis


Ik herinner me de oliecrisis nog. 1973... Nee, dat is niet helemaal waar.
Ik herinner me de autoloze zondagen van die oliecrisis. Lege wegen. De Kinderdijk leeg tot aan de bocht van Drieschouwen. Normaal stonden de bermen vol op zondag als Axel thuis speelde.
Slechts een enkeling mocht wel rijden. De dokter natuurlijk, zonder dat hij er misbruik van maakte. Alleen voor echte noodgevallen ging hij op weg. En dan diegenen die moeilijk ter been zijnde bejaarden naar de kerk begeleidden. Ja, daar kregen ze vrijstelling voor. Moeilijk ter been zijnde was een rekbaar begrip, en dus werd er misbruik van gemaakt. Door een aantal kerkgangers die ook op de autoloze rustdag des Heeren hun Heilige IJzeren Ros niet wilden laten staan.
In Axel woonde 'het gemeentepaard'. Geen idee wie de bijnaam van de goeie man verzonnen had, maar het was een eretitel die niet uit sympathie geboren was. Dat moge duidelijk zijn. Het gemeentepaard ging naar de kerk, elke zondag, met de auto, ook tijdens de oliecrisis. Zijn moeder was moeilijk ter been, althans op zondag, tijdens de oliecrisis.


Ik schreef het bovenstaande na "En ik herinner me Titus Broederland" van Auke Hulst te hebben gelezen.

[]

"En ik herinner me Titus Broederland" is het verhaal over de onmogelijkheid om als helft van een tweeling een normaal leven te leiden. De haat-liefde verhouding die een bijna logisch gevolg is van het opgroeien met je spiegelbeeld, als je spiegelbeeld. Je leeft onder elkaars huid, die past als de jouwe maar op den duur toch niet als gegoten zit.

Persoons- en geografische namen duiden op een Nederlands decor, maar daar waar de sfeer benauwd gesloten blijft, geeft de reis van de tweelingbroers dermate wijdse landschappen prijs dat Amerika waarschijnlijker is. De reis is een lange vluchtpoging voor het gevaar dat de wereld bedreigt.
Hun wegen lopen soms wel erg parallel met die van de vader en de zoon in Cormac Mccarthy's "The Road", wat het idee van Amerika doet toenemen en een aantal bijna-déja-vu's het pad doet kruisen.
Maar eigenlijk doet dat er weinig toe: wat telt is de constante strijd. De zekerheden van de hoofdrolspelers worden steeds schaarser en steeds moeilijker in stand te houden. Zekerheden van een wereld die letterlijk in een groot gat dreigt te verdwijnen, maar ook de zekerheden van een broederschap, een eenheid die onherroepelijk op een fataal einde lijkt af te stevenen.
De kerk speelt een belangrijke rol in het leven van de gebroeders Broederland, maar vanaf het prille begin tot het bittere eind uitsluitend in negatieve zin.

"Ik herinner me Titus Broederland" was mijn eerste kennismaking met Auke Hulst. De manier waarop hij de uitzichtloosheid van twee mensenlevens weet te vangen is groots. Je voelt als lezer de dwangbuis die het leven, door wat voor omstandigheden dan ook, kan vormen.
Hulst schrijft poëtisch, mooi. Af en toe overschrijdt hij de grens van het belerende, jammer. Maar al met al was zijn herinnering aan Titus Broederland een aangename kennismaking.