zaterdag 7 januari 2017

Driesprong


Links of rechts? Nergens een bordje, nergens een aanwijzing. Enkel bomen, en een smal karrespoor dat zich daar doorheen slingert. Ik begin het akelige gevoel te krijgen dat ik compleet verdwaald ben. De driesprong waarvoor ik sta komt me bekend voor. Erger, ik weet zeker dat ik hier een dik uur geleden ook al heb gestaan. Onmogelijk, want nadat ik beslist had rechtsaf te slaan, is geen enkel pad mijn weg nog gekruist. De afdrukken van mijn schoenen zouden mijn vermoedens kunnen bevestigen, ware het niet dat het inmiddels begonnen is met sneeuwen. Ik adem in witte wolkjes die zich even aftekenen tegen het donkere woud om vervolgens op te lossen in de grijze sneeuwlucht. De kou begint voelbaar te worden, maar tegelijkertijd voel ik een paniekerige warmte. Angstzweet, heet dat. Ik sla het linkse pad in, zonder echt overtuigd te zijn. 

Het ellendige is dat ik mezelf helemaal alleen in deze situatie gelaveerd heb. Vanmorgen vroeg heb ik na een stevig ontbijt de deur van het hotelletje achter me dicht getrokken en ben het bos ingetrokken. De sleutel heb ik bij de receptie afgegeven. ,,Er zit sneeuw in de lucht'', liet de receptioniste me weten. De glimlach waarmee ze haar waarschuwing begeleidde had het effect dat het wel mee zou vallen, en nog voordat ik de oprijlaan achter me had gelaten waren haar woorden al neergedwarreld als loze last. De witte tanden, rode lippen en blonde lokken nam ik graag met me mee.
Geen moment heb ik me zorgen gemaakt. Veel langer als een paar uur zou mijn wandeling immers niet duren. En verdwalen? Het zou de eerste keer zijn. Mijn stelling dat je altijd weer in de bewoonde wereld terecht komt, als je maar lang genoeg door blijft lopen, heeft me nooit in de steek gelaten. Daar houd ik me ook nu aan vast, maar met het verstrijken van de uren merk ik dat ook een rotsvast vertrouwen af kan brokkelen en uiteindelijk toch ook maar een gedachte is.

Het pad loopt iets omhoog nu voordat een flauwe, lange bocht naar links me verder het bos inleidt. Het is geen zware klim, maar ik voel de vermoeidheid in mijn benen. Bergschoenen en wollen sokken houden voorlopig voeten en onderbenen warm, maar mijn dijen voelen stijf aan. M'n kont doet pijn, m'n billen.
Mijn maag knort, maar ik laat de Snickers, die ik vanmorgen meegenomen heb, in mijn jaszak zitten. Ik voel me weeïg, ben bang dat ik over moet geven als ik nu die zoete klomp chocalade met noga en karamel en pinda's naar binnen werk. De gedachte alleen al doet me het zuur in mijn mond komen. Ik zweet. Ik heb het koud.

Vijf minuten later loopt het pad dood. Een gedeeltelijk met mos bedekte grijsgranieten rotswand reikt bijna loodrecht de sneeuwhemel in, verder dan het oog. Ik heb mijn plan B eigenlijk al klaar voordat ik me ervan verzekerd heb dat de rots een onneembare hindernis is. Ik zal terugkeren naar de driesprong en daar rechtsaf slaan, precies de weg bewandelen die ik gekomen ben dus. De volgende driesprong linksaf en dan zal ik al een heel eind in de goeie richting zijn. Maar ik moet de pas erin zetten nu, want de namiddag begint zich gelijdelijk op te maken voor de avond. Het zal geen uren meer duren voordat het donker is.

Als ik het pad terugloop en de lange bocht naar rechts de afdaling aankondigt ben ik zo opgelucht dat ik me in moet houden om niet te gaan hollen. Het mag dan wel bergaf zijn, wellicht is het toch beter om mijn krachten te sparen. De terugweg naar het hotel is immers lang.
Onderaan de heuvel verwacht ik meteen naar rechts te kunnen, maar ik moet me in de afstand vergist hebben. Maar ook de volgende tien minuten dient zich niets aan dat op een driesprong lijkt.
Een, met een steeds dikkere laag sneeuw bedekt karrespoor dat zich tussen een schier ondoordringbaar donker woud van eeuwenoude bomen heenslingert. Dat is alles. Ik stop, kijk vertwijfeld om me heen, luister naar een teken van leven. De enige tekenen van leven in deze immensiteit zijn mijn eigen gejaagde ademhaling, het ruisend in mijn oren versterkte bonzen van mijn hart en het bij tijd en wijle terugkerende klagelijk knorren van mijn maag. Voor de rest het lispelen van de vallende sneeuwvlokken dat sterft in de typische vredige stilte van een maagdelijk wit winterlandschap. Stilte.

Ik weersta de aandrang om terug te gaan, me ervan te verzekeren dat ik de driesprong niet gemist heb. Want ik weet dat ik de driesprong niet heb gemist. Ik weet dat, als ik op mijn passen terugkeer, ik wederom die wand van rotsen vind die mijn pad blokkeert. Ik loop dus door, sneller, want ik wil het invallen van het donker zo ver mogelijk voor me uit verschuiven. Blik op oneindig, verstand op nul, wat een bijna onmogelijke opgave is. Sneeuw begint zich te hechten aan baard, snor, wenkbrouwen, wimpers. Het zicht wordt minder. Mijn voeten doen pijn, mijn benen zijn zwaar, het gaat onverbiddellijk langzamer.
Na een uur kom ik dan toch bij een driesprong aan. Of beter, ik kom bij de driesprong aan waarnaar ik op zoek was. Maar de richting klopt niet, want waar ik de keuze zou moeten hebben tussen de weg rechtsaf en een andere rechtdoor wordt ik wederom geconfronteerd met de eerste situatie. Naar links dus, of naar rechts. Ik realiseer me dat ik geen mogelijkheden meer overheb: als ik naar links ga wordt mijn weg geblokkeerd door een rots, en rechts gidst me een uur lang door een bos om vervolgens weer hier terecht te komen.
Wat overblijft is me nù om te draaien en direct op mijn schreden terug te keren. Maar kom ik hier ooit nog uit? Geen idee, maar ik heb geen alternatieven.

Ik draai me om en ga op weg. Na een paar stappen knispert er iets onder een van mijn schoenen. Ik buk me en woel met mijn bijna gevoelloze vingers in de sneeuw. Een stuk papier lijkt het, nee. Een lege verpakking. In het halfdonker ontcijfer ik de mij bekende blauwe letters: Snickers.
Verbaasd verdwijnt mijn andere hand zoekend in mijn jaszak.

[]

Ik schreef "Driesprong" naar aanleiding van het boek "De goede herder" van Gunnar Gunnarsson.
Hieronder mijn recensie...

Gunnar Gunnarsson (1889-1975) was geen schrijver van deze tijden. Zijn vertelling "De goede herder" is geen verhaal van deze tijden.

Om met het levensverhaal van Gunnarsson te beginnen. Hij werd geboren in het arme noordoosten van IJsland, waar zowel financieel als materieel een gedegen scholing voor weinigen weggelegd was. Eenzelfde lot zou Gunnar Gunnarsson beschoren zijn geweest, ware het niet dat zijn schrijverstalent tijdig herkend werd en hij op 18-jarige leeftijd de kans kreeg om in Denemarken te gaan studeren. Gunnarsson greep die kans met beide handen aan,  maakte zich het Deens dermate eigen dat hij zijn romans in die taal schreef.
In de wereld van vandaag zou een besluit als dit synoniem zijn aan een literaire zelfmoord in eigen land. Het zou ongetwijfeld gezien worden als hoogmoed, landverraad, alles behalve een reden tot euforie. In het IJsland van de jaren dertig dacht men anders (wellicht nog steeds?) en de vertalingen in het IJslands van Gunnarsson's Deense romans werden stuk voor stuk bestsellers, en de autheur werd een symbool voor zijn land.

Boerenknecht Benedikt, 54 inmiddels, begint op adventszondag aan zijn jaarlijkse tocht de bergen in. Voor de 27ste keer (een half leven lang) onderneemt hij zijn zoektocht naar verdwaalde schapen. Niet omdat het zijn dieren zijn, maar enkel om het feit dat het levende schepsels zijn die, zo is Benedikts overtuiging, recht hebben om gered te worden van een zekere honger- of bevriezingsdood die de besneeuwde IJslandse bergen in pacht zouden hebben.
Het laatste boek dat Gunnar Gunnarsson in het Deens schreef was in 1936 "Advent". In het Nederlands heeft het de titel "De goede herder" meegekregen. Zoals al zijn boeken handelt het over het plattelandsleven in zijn vaderland IJsland, een onderwerp dat het bijzonder goed deed in Denemarken.
Benedikt is normaal gezien de enige levende ziel die zich in deze periode het barre landscahp in waagt. Hij wordt slechts bijgestaan door zijn hond Leo en de ram Knoest. Dit jaar loopt het allemaal anders omdat het drietal kostbare tijd verspeelt. Een boer heeft zijn schapen te laat op stal gebracht, waarna Benedikt nogmaals zijn goedheid laat gelden en hulp biedt bij het zoeken naar een stel veulens. Als hij eindelijk aan zijn eigen taak kan beginnen slaat het weer om en terugkeren naar de bewoonde wereld wordt steeds moeilijker.
Wat aantal bladzijdes betreft is "De goede herder" een niemendalletje, maar wat boodschap betreft is het verhaal natuurlijk enorm. Zonder de bijzondere stijl van Gunnar Gunnarsson zou het echter nooit verworden zijn tot Het Kerstverhaal uit de IJslandse literatuur, wat het tot de dag van vandaag is. Gunnarsson schrijft sober, en sluit daardoor naadloos aan op de hoofpersoon en zijn wereld. Benedikt is (nu) een man zonder wensen, omdat hij weet dat hij alles heeft wat hij kan wensen. Zijn beste vrienden heeft hij bij zich, Leo en Knoest, betrouwbaar, trouw. Gunnarsson schrijft essentieel, en sluit daardoor al even naadloos aan bij het landschap en de elementen. Weinige, juiste woorden zorgen ervoor dat een sneeuwstorm even heftig opsteekt als in de werkelijkheid. De kou, de wanhoop als een schuilplaats niet wordt gevonden, zijn bijna reëel.


"De goede herder" is een ideale metgezel in de decembermaand. In IJsland schijnt hij bij kerst te horen zoals de kerstman. Ik denk dat ook ik er in de toekomst heel graag nog eens naar terug zal grijpen.

- Ik las "De goede herder" in het Italiaans.
De titel is "Il pastore d'Islanda", en de ram luistert in deze versie niet naar de naam Knoest, maar heet Roccia, wat rots betekent. - 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen